Het bestuur van de Stichting Peuterspeelzalen Dongen beëindigt per 1 januari 2012 haar activiteiten als werkgever en aanbieder van peuterspeelzaalwerk. De in ras tempo veranderende aanbiedingscondities zorgen ervoor dat het voor een vrijwilligersbestuur, dat tegen kostprijs de gevraagde activiteiten uitvoert, onmogelijk is geworden de verantwoordelijkheid voor het personeel te blijven dragen. Met name de keuze van het gemeentebestuur om voortaan alleen op activiteitenniveau te subsidiëren, leidde tot dit besluit. Het college van B&W is voornemens in juli aan derden de mogelijkheid te bieden om in te schrijven voor het peuterspeelzaalwerk in de gemeente Dongen zodat een beëindiging van het werk van de SPD per 1 januari 2012 gerealiseerd kan worden. Een inschrijvingsvoorwaarde is dat het gehele in vaste dienst zijnde personeel onder dezelfde condities wordt overgenomen.
Het bestuur van de Stichting Peuterspeelzalen Dongen beëindigt per 1 januari 2012 haar activiteiten als werkgever en aanbieder van peuterspeelzaalwerk. De in ras tempo veranderende aanbiedingscondities zorgen ervoor dat het voor een vrijwilligersbestuur, dat tegen kostprijs de gevraagde activiteiten uitvoert, onmogelijk is geworden de verantwoordelijkheid voor het personeel te blijven dragen. Met name de keuze van het gemeentebestuur om voortaan alleen op activiteitenniveau te subsidiëren, leidde tot dit besluit. Het college van B&W is voornemens in juli aan derden de mogelijkheid te bieden om in te schrijven voor het peuterspeelzaalwerk in de gemeente Dongen zodat een beëindiging van het werk van de SPD per 1 januari 2012 gerealiseerd kan worden. Een inschrijvingsvoorwaarde is dat het gehele in vaste dienst zijnde personeel onder dezelfde condities wordt overgenomen.
Toelichting
De Stichting verzorgt het peuterspeelzaalwerk in Dongen sinds 1971, bijna 40 jaar dus. Sinds de invoering van CAO welzijn 2000 heeft de Stichting op verzoek van het college van B&W middels een aantal fusies het gehele peuterspeelzaalwerk in Dongen, in één stichting ondergebracht en het gehele werk geprofessionaliseerd, zodanig dat de kwaliteit van het werk twee ambitieniveaus boven de rijksnorm ligt. De stichting werkt daardoor niet meer met pedagogische medewerksters, maar met gekwalificeerde en vaak ook gespecialiseerde, pedagogische vakkrachten die zich louter bezig houden met methodische ontwikkelingsactiviteiten voor het kind van 2 tot 4 jaar. De inkomstenkant van de stichting staat vast: namelijk de ouderbijdrage en de gemeentelijke middelen voor voorschoolse educatie plus de extra rijkssubsidie voor peuters met een ontwikkelingsachterstand. Het plafond van de ouderbijdrage wordt door de gemeente Dongen aangegeven in het BCF-contract. De gemeentelijke bijdrage en de verdeling van de rijksmiddelen wordt eveneens door de gemeente vastgesteld. Voor de stichting is er derhalve geen enkele speelruimte om voldoende reserves in een risicovoorziening op te bouwen. Dat was tot op heden ook niet nodig omdat samen met het gemeentebestuur de zorg voor het personeel werd gedeeld. Verstandig benoemingsbeleid van het bestuur voorkwam ook in tijden van terugloop van aanbod financiële problemen. De situatie veranderde plots toen het college van B&W in december aangaf dat het stichtingsbestuur voortaan ook zelf de gevolgen moest dragen van door de gemeente opgelegde extra bezuinigingen op korte termijn. Daardoor werd de stichting geconfronteerd met een wachtgeldverplichting die het niet kon dragen. Tevens had en heeft de stichting geen invloed op de verdeling van de rijksmiddelen. Het college kiest ervoor de inzet van de specifieke deskundigheid die de stichting heeft opgebouwd, elders - zoals in de kinderdagopvang - over te laten aan de marktwerking. Dit alles tezamen bracht het bestuur tot het besluit om de nieuwe realiteit in Dongen te erkennen en zich neer te leggen bij een onmogelijke positie in dit geheel. Met het gemeentebestuur is overeengekomen dat de gemeente de door de opgelegde bezuinigingen ontstane wachtgeldverplichtingen overneemt en het peuterspeelzaalwerk gaat aanbesteden aan derden. Het bestuur beseft zich terdege dat de kwaliteit van het aangeboden werk in Dongen onder druk zal komen staan, maar dat anderzijds de verantwoordelijkheid voor het personeel beter bij een bedrijfsmatige organisatie kan liggen dan bij een weliswaar bekwaam, doch wel een bestuur van vrijwilligers, dat langzamerhand door beperkte inzet in tijd en door haar positie op de vrije ondernemersmarkt, niet meer de kwaliteit kan leveren die vereist is en de verantwoordelijkheid voor het geheel niet meer kan dragen.