Column Peter Verschure: ‘Bloed in de boomhut’

Foto:

In zijn column beschouwt natuurmens Peter Verschure op zijn kenmerkende manier de zaken met een groene bril.

Bloed in de boomhut

Wanneer de kleinkinderen zo groot worden dat ze het kruipen gaan vervangen door klimmen, en de bomen in onze achtertuin nog harder uit de kluiten groeien dan de kleinkinderen zelf, wordt het tijd voor het serieuzere werk. Want regelmatig uit een boom stuiteren, of in een boom klimmen en niet meer naar beneden durven, geeft geen rust in de familie.

Dus mijn voorstel om een boomhut te gaan bouwen werd positief ontvangen, maar hun eisenpakket was wel veel royaler dan ik in gedacht  had. Het drietal begon te tekenen en ik ‘mocht’ het dan gaan uitvoeren. Er moest natuurlijk een trapje naar boven komen en echte raampjes en deurtjes inzitten. Verder moest er een balkonnetje komen en een echte schoorsteenpijp op het dak. En een kleine bijkomstigheid: ze moesten er alle drie tegelijk in kunnen slapen met opa erbij.

Toen we onderweg naar een sloperij waren om een vrachtje hout te halen ontstond er al zo veel discussie in de auto dat ik als eis ging stellen dat ze alle drie mee moesten helpen timmeren…anders zou het feest niet doorgaan (maar daar kreeg ik later heel veel spijt van). Ik begon met vier kuilen te graven waar de spoorbielzen rechtop in moesten staan, waarboven de boomhut dan zou komen. Maar voordat ik de kans kreeg om de bielzen te plaatsen waren er al drie van de vier gaten  gevuld met kleinkinderen… tot hun nek in het zwarte zand. Ze gaven me al de indruk dat die kuilen al genoeg vertier brachten en de hut niet meer nodig was. Maar om nu voor 300 euro gekocht hout ongebruikt te laten was voor deze opa geen optie, dus ging ik positief aan de slag.

Ik leerde de oudste hoe hij een zaag moest hanteren en de tweede hoe hij een spijker in een plank moest slaan zonder zijn duimpje te beschadigen. Uit eigen levenservaring wist ik dat veel waarschuwen toch niet helpt, en dat de praktijk de beste (pijnlijke) leermeester is. Ik was dus ook niet echt verrast toen ik na een harde kreet één van die drie Daltons met zijn duimpje diep in zijn mond op me af zag rennen. Terwijl ik zijn traantjes droogde, troostte ik hem met “het valt wel mee, ik zal je gauw naar oma brengen.” Maandenlang heeft hij ons daarna zijn zwarte nageltje laten bewonderen.

De kleinste vond alles interessant, maar vroeg wel erg veel aandacht en liep steeds in de weg of liep letterlijk weg. Hij was van het soort dat zo snel was dat je hem voor zijn eigen veiligheid liefst aan een ketting zou vastleggen. Dus ik sprak met hem af dat, als ik ging timmeren, hij de spijker mocht aangeven. Buiten mijn verwachting accepteerde hij mijn arbeidsvoorwaarde maar na amper vijf minuten begon hij het saai te vinden en werd hij er “erg moe van”.

Opvoedkundig zal het wel niet kloppen, maar ik spoorde hem toch aan om door te gaan met zijn nuttige werk, “anders kwam het project nooit af”. Die opmerking was voor de kleine donder de druppel en met een welgerichte trap schopte hij mijn hele spijkerkistje naar beneden. Daar lagen de spijkers nu gevarieerd verspreid tussen gras, zand en bouwmaterialen. De kleine Dalton stond met een voldane blik het resultaat beneden te bekijken. “Samen oprapen!” was mijn enige mogelijkheid om de regie weer in handen te krijgen. En zonder te morren ging hij mee zoeken en legde de spijkers keurig met de koppen naar voren weer in het spijkerkistje.

Nadat we de meeste spijkers weer hadden verzameld, besloot ik snel verder te gaan met timmeren om de verloren tijd in te halen. Toen ik de eerste spijker weer in de plank wilde slaan, hoorde ik een flinke klap achter me…en jawel hoor, voor de tweede keer vloog mijn spijkerkistje met veel lawaai weer naar beneden. In mijn ooghoeken zag ik aan zijn blije kopje dat hij weer tevreden was met het resultaat. “Same oplape” was zijn enige commentaar…en ik weet het Dongens motto is ‘we doen alles samen’ maar dat was op dat moment niet het eerste wat in me opkwam.

Binnen enkele weken was de klus geklaard, maar de kers op de taart was toch het moment dat we met zijn vieren in de boomhut gingen slapen. Er pasten precies twee dubbele luchtbedden in de hut en voor de raampjes hingen echte gordijntjes om de muggen uit de vijver buiten te houden. Toen kwam de cruciale vraag van de kinders “opa, waar moeten we vannacht plassen als we hoge nood hebben?” “Uh, uh, nou…ja, ik haal wel een potje uit de WC, dan kunnen jullie daar op gaan zitten” probeerde ik. Hun gezamenlijke reactie was dat ze zeker nooit meer op een potje gingen zitten zoals vroeger want dat was voor kinderen en niet voor hen.

Ik zag het ook niet zitten dat ze ’s nachts in het donker, half slapend, van zo’n smal steil trapje moesten afdalen, dus ik had een veiliger voorstel en – creatief als ik ben – stelde ik voor: “als jullie vannacht een plasje moeten doen, dan doen jullie het raampje open en plassen jullie voor één keer maar gewoon vanuit de boomhut de tuin in. “Mag dat echt?””Ja hoor, geen probleem” hoorde ik mezelf stoer zeggen.

Mijn woorden waren nog niet koud een binnen no time stonden ze boven, vloog het raampje open, en stonden ze keurig naast elkaar met hun slurfjes in de hand, en kletterden er drie straaltjes naar beneden. Gelijktijdig ontstond er een competitie wie van de drie het verst pissen kon… Ik sloeg vanaf beneden dit tafereel geschrokken gade en toen de oudste triomfantelijk ‘YES!’ Ik heb gewonnen” riep, nam ik de regie snel over en riep ik op indringende wijze “OPHOUDEN NU” en na dat verzoek werden de drie slurfjes netjes en snel weer opgeborgen.

De zaterdag daarna ‘mocht’ opa mee in de blokhut om met de drie kornuiten te slapen, maar voor het zover was, mochten ze opblijven zolang ze zelf wilden totdat ze spontaan om zouden vallenm (ik wiat toen nog niet dat dat ook letterlijk zou gebeuren). Nadat oma’s pannenkoeken, chips en diverse frisdrankjes naar binnen gewerkt waren, hing rond half elf de eerste tegen mij aangeleund terwijl hij als een volwassene lag te snurken en te ronken. Een andere held zei dat ie nog lang niet moe was, maar dat zijn oogjes vanzelf dichtgingen. Dus er was weinig overredingskracht voor nodig om de luchtbedden te beklimmen en de gordijntjes en raampjes dicht te doen.

“PA, WAT HEB JE MET MIJN KMINDEREN GEDAAN??” Ik werd langzaam wakker en keek in het vrolijke gezicht van onze dochter, die door het raam naar binnen keek. Ze begon hardop te tellen “” 1-2-3….20-21″…meer dan 20 muggenbultjes telde ze op één kopje en ook de andere twee waren behoorlijk toegetakeld. Hun oortjes waren rood opgezwollen en stonden haaks op hun kopjes, zodat ze meteen tot ‘Pieter van Vollenhovens’ gedoopt werden. Ik rolde bij dat aanzicht bijna door de hut van het lachen. Enkele dagen later vertelde mijn dochter dat de mensen tijdens het winkelen met een boog om hen heen liepen alsof ze een hele besmettelijke ziekte opgelopen hadden.

Enkele weken later vroegen ze wanneer we wèèr in de boomhut gingen slapen…maar dan we de raampjes dicht na het plassen want ik hoor de muggen al tegen elkaar zoemen “dat wordt weer lekker fris bloed daar in die boomhut”

Reacties