Column Peter Verschure: ‘Ge maokt soms wè mee…’

Foto:

In zijn nieuwe column kijkt Peter Verschure op zijn kenmerkende manier terug op zijn tijd als Prins Andreo XXIX

Ge maokt soms wè mee…

Ja..ge maokt soms wè mee… Maar dit jaar maken we wel héél veel nie mee; een gezellige carnaval bijvoorbeeld..die maken we ook niet mee. Jammer voor onze Prins Andreo LX. Ik zou niet graag in zijn schoenen staan, en ook niet op zijn troon willen zitten, want hij heeft ook het virus onder z’n leden….het carnavalsvirus welteverstaan. En dat is in het Peeënrijk heel erg besmettelijk gebleken. Maar zijn motto is: we doen wè we kanne en Frank hoeft het gelukkig niet alleen te ‘kanne’. Hij krijgt goeie raad aangedragen…maar ja, een goeie raad is duur..en zeker als ze met elf man zijn.  Hij is een goeie prins, d’r zit geen steek aan los, dus ik steek ‘m met plezier een fazantenveer in zijne…navel..als teken van waardering.

Ik kan niet geloven dat sommige ongelovige sukkels geloven dat er geen virus bestaat. Dat zo’n klein miezerig virusbolletje ons hele land platlegt, en ons onze carnaval door de neus boort. Dus in plaats van een biertje aan onze lippen peuteren ze nu met een wattenstaafje diep in onze neus. Ook de café’s maken wè mee: bij d’n Bok krijgen ze er ook al een sik van. Ik geloof wel dat de Viersprong er goed uitgesprongen is. En over de Ouwe Sok maak ik me geen zorgen, daar verstopten ze vroeger al hun geld in. En als ze bij Dongense Dingen weer iets nieuws gaan verzinnen lopen die ook wel binnen.

Het wordt dit jaar geen feestneus maar een mondkapje, geen handjes de lucht in maar ellebogenwerk. Het Veteranenbal zal niet om 21.00 uur beginnen…we zitten om 20.00 uur binnen. Daarom kijk ik graag met u even achterom.

De sleuteloverdracht op het stadhuis is altijd een bijzonder moment en ik kan het weten want ik heb zo’n dertig jaar geleden de sleutel van toenmalig burgemeester Jan Dosker in ontvangst mogen nemen. Ik moest hem beloven om ‘de Peej altijd te loven’ en zo begon mijn regeerperiode van 5 jaar, waarbij ik, soms letterlijk, gevaarlijk met scepter boven de feestende Peejen zwaaide. Sommigen hebben er, denk ik, nog koppijn van. En hij had nog zo gezegd  dat ik vier dagen zuinig op zijn dorp moest zijn. Maar dat ‘zuinig’ lukte me de eerste dag al niet, want toen ik het beeldje van de ‘Peej van ut Jaor’ moest uitreiken aan Toontje K. liet ik het kunstwerkje tijdens de raadszitting uit mijn handen glippen en stuiterde het beeldje met een doffe klap in twee stukken uit elkaar. En zo overhandigde ik de restanten van het beeldje aan Toon met de woorden: “dit is voor jouw bijzondere verdiensten, gij bent un vent uit één stuk, mar dees bildje is nou in twee stukken.” Hij nam het ook letterlijk met twee handen aan…

Ik kreeg regelmatig goeie raad van de raad. “Hoogheid” zeiden ze, “maak het ’s avonds niet te laat, anders hou je het geen vier dagen vol.” Dus om half één zaten mijn vrouw en ik in de taxi richting Groenstraat. Toen zei ik tegen haar: “Nou ben ik Prins Carnaval en ik ben nog nooit van mijn leven mee carnaval zo vroeg naor huis gegaon as vandaog” “En ik ok nie” antwoordde ze heel treurig. Dus “chauffeur, bij de vollugunde rotonde rechtsomkeert en trug naor de kroeg waor ge oos drie minute geleeje hèt opgehaold.” Toen we later na het eierenbakken bij Bart naar huis wilden gaan was er om half vijf bijna geen taxi meer te krijgen.,

In de hofkapel zaten veel markante figuren van verschillende pluimage en wisselende muzikale kwaliteiten. Ze hadden één belangrijke regel, namelijk dat ze niet van regels hielden. Vooral het slagwerk -Gijs en Sjef- was berucht, omdat ze met hun trommelstokken niet alleen op hun instrument insloegen. Zo maakten ze wel ruim baan voor ons, zodat we de overvolle ‘Kleine Bok’ toen binnen konden. Maar toen werd mij fijntjes ingefluisterd dat het motortuig dat daar zijn thuishonk had niet op ons spontane bezoek zat te wachten. Dus voordat ik de microfoon onder mijn neus geduwd kreeg was ik mijn prinsensteek al kwijt. Pas toen duidelijk werd dat ik het daar niet echt benauwd van kreeg, en ook een motorrijbewijs had, kwam de steek terug. Toen ik een rondje gaf – dat was niet zo duur in zo’n klein kroegje – hebben we samen geproost op deze bijzondere eerste kennismaking. Later heb ik met deze Bøxskusz prachtige momenten beleefd. Ze leverden zelfs nog raadsleden, een adjudant en mijn opvolger af: de legendarische Prins Walter. En dat ‘ruige’ motorvolk zong daarna het winnende ‘Zomar un lietje.’

Het protocol naleven was, volgens oud-prins Geert, een héél belangrijk onderdeel van carnaval, maar dat was nou niet bepaald een sterke eigenschap van mij. Ik liet liever de teugeltjes een beetje vieren en soms draafde ik een beetje te ver door, of vergaloppeerde ik me als ik het protocol met een korreltje zout nam. Mijn adjudant Willeke name het vaak met een hele zak zout. Zo ook die keer dat hij tijdens de officiële Lintjesregen op een onbewaakt moment het onderscheidingskoffertje van onze kanselier te pakken kreeg en met veel plezier lintjes en onderscheidingen onder het verbijsterde publiek begon uit te delen.

Toen we ongeveer 30 jaar geleden de eerste carnavalsmis organiseerden, had ik net de tekst van ’t Peejelied geschreven, en meneer pastoor oordeelde dat de tekst goed was, maar vond de zin ‘ik hef op jou mun glaske bier’ niet geschikt om in de kerk gezongen te worden.”Maar pastoor Brand” zei ik “u staat zelf iedere zondag in uw eentje een hele kelk vol wijn leeg te proeven, en wij zouden ons glaske bier niet mogen bezigen?” Hij was even heel stil…en hij was om…de pastoor was bekeerd. En op zondagmorgen galmde ’t Peejelied door de Koepelkerk en op verzoek van Brandje zelf…zelfs twee keer achter elkaar.

We hebben ook nuttige dingen gedaan, zoals fruitschalen van Jan van Hees bezorgen bij zieke Peejelanders. Dus op een vroege morgen trokken mijn adjudant Willeke en ik er op uit in vol ornaat, een beetje duf, maar met een frisse fruitschaal om de zieken op te vrolijken. Toen we bij de eerste zieke aanbelden om de fruitmand te overhandigen, werd ons medegedeeld dat de zieke niet meer thuis was…hij was in alle vroegte vertrokken naar het Pyamabal bij Wilhelmina… Ik zal nooit meer ons derde adres vergeten, toen we heel zelfverzekerd met de fruitschaal in onze handen, in de St. Josephstraat uit de taxi stapten. Een buurvrouw kwam op ons af en zei: “ik weet wat jullie komen doen, maar mijn buurvrouw is gisterennacht gestorven… We zijn nog nooit zo snel samen de taxi weer ingedoken als toen., De chauffeur gaf gas, en wij de straat uit. Een eindje verder zijn we gestopt en toen hebben we met zijn drieën besloten om de schrik te verwerken door de fruitschaal zelf maar naar binnen te werken….en dat werkte

Groeten uit de Groenstraat

Reacties