Column Peter Verschure: ‘Een schat….voor een varken’

Foto: Pixabay License/RoyBuri

In zijn column beschouwt natuurmens Peter Verschure op zijn kenmerkende manier de zaken met een groene bril.

Een schat….voor een varken

Als elfjarig manneke vond ik het prachtig om op de boerderij van m’n oom te helpen, zeker als er jonge dieren geboren werden. Dus toen de zeug een heel elftal biggen de wereld in poepte, stond ik er met mijn snufferd bovenop. “Da’s dus tien stuks”, concludeerde mijn oom voldaan. “Nee, het zijn er elf” verbeterde ik hem. “Nou, dat kleintje tel ik niet mee” zei hij, ” want die haalt het toch niet, die gaat toch dood.” En dat kleintje vond ik nou net het liefste biggetje, dus vroeg ik aan mijn oom: “mag ik hem proberen te redden? Ik zal er goed voor zorgen en dan hoef ik deze keer géén  50 cent voor het werk van vanmiddag” – want dat was mijn honorarium (inclusief reiskostenvergoeding). En zo fietste ik die dag zielsgelukkig met een sinaasappelkistje vol met stro op mijn bagagedrager naar huis, onderweg door iedereen nagestaard omdat ‘Knorrie’ de hele rit als het bekende ‘magere speenvarken’ het op een gillen had gezet. Voor mij klonk het als muziek…want dat betekende dat hij nog leefde.

Ze waren thuis al wel gewend aan mijn verzameling beestenspul, zoals een tamme kauw, kippen, twee eekhoorns, en hond en een bosuil….maar een varken…dat bracht toch wel wat verwarring in ons gezin. Ik haalde letterlijk én figuurlijk alles uit de kast om Knorrie een leven als een prins te geven. Ik zelf speelde voor moeder zeug, en met de speenfles en paplepel werd hij volgepropt.. De kippen moesten een deel van hun kippenren afstaan, en soms ook een schep kippenkorrels. De buurman leverde gratis stro en onze groententuin werd een kaalslag. Hij was een dankbare vreter, want hij lustte naast varkensvoer ook hondenbrokken…en vader snapte niet dat de kippen minder eieren legde en soms was moeder ineens een half brood kwijt…maar groeien dat Knorrie deed! Hij vond het heerlijk als ik met de tuinslang op hem spoot zodat hij een lekker modderbad kreeg en daarna borstelde ik hem dan keurig schoon. Hij dartelde en rende met me mee, we waren vrienden voor het leven.

Zijn groeispurt bleek levensgevaarlijk te worden, want vader keek met steeds meer interesse naar de zware, vriendelijke knorrepot. Toen het woord ‘slager’ ter sprake kwam, kreeg ik het ineens zò benauwd…. alsof hij voor mij persoonlijk zou komen. Ik heb van alles verzonnen, bedacht en beloofd om het onheil te voorkomen, maar niets hielp. Als elfjarige had ik mijn trots, dus …’een man mag niet huilen’, maar ik heb gejankt net zo lang en net zo hard als Knorrie toen in dat sinaasappelkistje deed. En de volgende dag gespijbeld.

Enkele weken later kwam vader met de rekening van alle zakken varkensbrok die Knorrie verwerkt had, maar toen hij die kosten van de opbrengst aftrok bleek er voor mij een winst te zijn behaald van 200 gulden. Twintig briefjes van tien gulden, een fortuin was dat. Ik was meteen schatrijk, en mijn zeven broers, die mij voorheen uitlachten met mijn trouwe vriend, keken vol ongeloof naar die ‘schat voor een varken’, die er indirect ook voor zorgde dat mijn tranen snel waren opgedroogd.

Enkele jaren geleden kreeg ik wéér een krulstaart van iemand wiens hangbuikzwijn hem de keel uit begon te hangen, en ook toen ontstond een een ware vriendschap tussen ons. We kenden elkaars karaktereigenschappen, en als ik hem te laat eten kwam brengen reageerde hij geïrriteerd door zijn hok te slopen of de tuin om te ploegen als hij losbrak. Verder was het een gezellige knorrepot. Hij had alleen behoorlijk last van obesitas waardoor zijn ogen bijna dichtgroeiden en zijn pootjes hem bijna niet meer konden dragen. Maar hij luisterde meteen als ik ‘Unox’ riep….want zo had ik hem gedoopt.

Op een zondag kwamen we thuis de anders zo rustige Groenstraat binnengereden, toen we een politiebusje zagen staan en daar omheen een groep druk pratende buurtgenoten. Ik liep er nieuwsgierig naar toe en zag midden in de kring twee agenten staan, waarvan er een aan een dik touw stond te trekken. Aan de andere kant van het touw stond…een varken…gillend aan het touw te trekken. “Hij liep midden op straat, we zijn een hele tijd bezig geweest om hem te vangen met zijn allen, en nu hebben we hem eindelijk, maar nu krijgen we hem niet van zijn plek. Hij blijft schreeuwen en verzet geen poot meer…en we weten ook niet van wie hij is.” “Zeg Peter, heb jij ook niet zo’n zwaar zwart hangbuikvarken?” riep een buurjongen…

Iedereen keek mijn kant op. “Uhhh….Uhhh…” stamelde ik, en ik zag dat die twee agenten het helemaal  gehad hadden met hun zware vangst. Dus ik zei “ja…maar die zwijnen lijken allemaal op elkaar he?” Het leek alsof hij mijn stem herkende, of dat hij mij geroken had, want hij hield meteen op met gillen. Ik maakte het touw dat ze om zijn dikke buik hadden geknoopt los, en zei “kom maar Unox, kom maar mee jongen…”

Hij knorde even, en liep keurig naast me, gewoon los, als een trouwe hond, zonder een kik te geven, mee naar huis. ik heb niet meer achterom durven kijken, bang voor een bekeuring, een hoorde de buurtgenoten spontaan in lachen uitbarsten. Ja Knorrie en Unox….het waren schatten.

Groeten uit de Groenstraat

Peter

Reacties